Eerste jaar TRIDENT-2 studie gepubliceerd


In Nederland wordt de Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT) sinds 1 april 2017 in onderzoeksverband aangeboden aan alle zwangere vrouwen als alternatief voor de combinatietest (TRIDENT-2 studie). Op 7 november 2019 zijn in het toonaangevende tijdschrift American Journal of Human Genetics de resultaten van het eerste jaar gepubliceerd. De resultaten laten zien dat de Nederlandse NIPT nauwkeuriger test dan op basis van studies werd verwacht. De grote meerderheid van de zwangeren die kiest voor NIPT wil ook andere bevindingen dan down-, edwards-, en patausyndroom horen.

Deelname                                                                          

In het eerste jaar hebben ongeveer 73.000 zwangeren de NIPT laten doen. Dit komt neer op 42% van alle zwangere vrouwen in Nederland. Ongeveer 4% van de zwangeren deed de combinatietest en 54% zag af van screening.

In 0,3% (244) van de zwangerschappen waarbij de NIPT wordt gedaan worden er aanwijzingen gevonden dat het ongeboren kind downsyndroom heeft; voor edwards- en patausyndroom is dat ieder minder dan 0,1% (49 edwardssyndroom en 55 patausyndroom). Deze getallen komen overeen met wat vooraf was geschat op basis van internationale studies.

NIPT klopt vaker dan verwacht

Als er na NIPT aanwijzingen zijn voor een chromosoomafwijking is, om zekerheid te krijgen, vervolgonderzoek (vlokkentest of vruchtwaterpunctie) nodig. Dit komt omdat de NIPT een afwijkende uitslag kan geven terwijl het ongeboren kind geen aandoening heeft. De NIPT uitslag klopt niet altijd omdat het geteste DNA in het bloed van de moeder afkomstig is van de placenta (moederkoek). Soms is er in de placenta wel een afwijking die niet bij het kind aanwezig is.

Na een verhoogde kans bij de combinatietest is de kans gemiddeld 5% dat er echt sprake is van een aandoening bij het kind. Na een afwijkende NIPT was vooraf de verwachting dat dit 75% zou zijn voor downsyndroom, 24% voor edwardssyndroom en 23% voor patausyndroom. Uit het vervolgonderzoek blijkt nu dat dit percentage gemiddeld veel hoger ligt, namelijk 96% voor downsyndroom, 98% voor edwards- en 53% voor patausyndroom. Dit betekent dat de NIPT veel vaker klopt dan verwacht.

Nevenbevindingen

Van de vrouwen die kiezen voor NIPT kiest de meerderheid (78%) van de zwangeren om ook andere bevindingen dan down-, edwards-, en patausyndroom te horen, de zogenaamde nevenbevindingen. Het gaat dan om zeldzame, grote chromosomale afwijkingen bij het kind, of om afwijkingen van de moederkoek. In uitzonderlijke gevallen wordt een afwijking gerapporteerd bij de moeder.

In het eerste jaar werd aan 207 (0,4%) van de zwangeren een nevenbevinding gerapporteerd, ongeveer even vaak als een aanwijzing voor downsyndroom. Ook om de klinische betekenis van een nevenbevinding te weten is vervolgonderzoek nodig. Dan pas kan duidelijk worden of een chromosoomafwijking daadwerkelijk aanwezig is in het kind, in de placenta of in de zwangere zelf, en zijn de klinische gevolgen hiervan te voorspellen. Nevenbevindingen in het kind geven meestal een ernstige ziekte, waardoor het kind bijvoorbeeld een verstandelijke beperking of een lichamelijke afwijking heeft.

De helft van alle nevenbevindingen betrof een andere trisomie, waarvan na vervolgonderzoek slechts een klein deel (6%) werd teruggevonden in het kind terwijl het merendeel alleen aanwezig was in de placenta. Afwijkingen in de placenta kunnen echter wel nadelige gevolgen hebben voor de zwangerschap zoals groeivertraging. De andere helft van alle nevenbevindingen betrof een structurele chromosoomafwijking (deletie of duplicatie) die in 32% van de gevallen bevestigd werd in het kind. Bij ongeveer 1 op 6500 NIPT werd een afwijking bij de moeder (zoals kanker) gerapporteerd.

In de TRIDENT-2 studie wordt niet alleen de aard en frequentie van nevenbevindingen onderzocht, maar wordt met vragenlijsten en interviews ook onderzoek gedaan naar de gevolgen van de nevenbevinding voor de zwangere en haar partner.

Achtergrondinformatie: screening met de NIPT

In Nederland hebben zwangere vrouwen en hun partners de keuze of ze wel of geen prenatale screening willen. Zij worden goed geïnformeerd over de mogelijke keuzes. Als zwangeren willen deelnemen aan prenatale screening kunnen zij sinds 1 april 2017 kiezen tussen de al bestaande combinatietest en de NIPT (die laatste in onderzoeksverband). Zwangeren betalen 175 euro voor de NIPT, vergelijkbaar met de 170 euro voor de combinatietest. De NIPT is een testmethode waarbij het bloed van de zwangere wordt gebruikt om te testen of het ongeboren kind mogelijk downsyndroom (trisomie 21), edwardssyndroom (trisomie 18) of patausyndroom (trisomie 13) heeft. Voor de meeste zwangeren betekent de keuze voor de NIPT dat ze nog maar één test nodig hebben om een betrouwbare uitslag te krijgen. Wanneer de NIPT geen aanwijzing geeft voor down-, edwards- of patausyndroom, is geen vervolgonderzoek nodig. Bij een afwijkende NIPT uitslag is een invasieve test nodig (vruchtwaterpunctie of vlokkentest) om zekerheid te krijgen.

In studieverband wordt onderzocht hoe NIPT het beste in Nederland ingevoerd kan worden (TRIDENT studies). Welke keuzes maken zwangeren? Welke informatie hebben zwangeren en hun partners nodig? Hoe verloopt de introductie van NIPT? Deze studies bepalen mede de uitvoering en inrichting van prenatale screening in de toekomst.

Meer informatie

  • Meer informatie over de TRIDENT studies is te vinden op www.meeroverNIPT.nl
  • Op website www.onderzoekvanmijnongeborenkind.nl kunnen zwangeren en hun partner meer lezen over de screening op down-, edwards- en patausyndroom en de verschillende testen. De website bevat ook de keuzehulp ‘Bewust kiezen’. Deze kan helpen om gedachten over de screening op een rij te zetten.
  • Meer over nevenbevindingen is te lezen in een artikel in het Tijdschrift voor Verloskundigen.
  • De TRIDENT studies (Trial by Dutch laboratories for Evaluation of Non-Invasive Prenatal Testing) onderzoeken de implementatie van de NIPT in de Nederlandse prenatale screening. De TRIDENT-2 studie richt zich op zowel implementatieaspecten als ook op het perspectief van de zwangere vrouw en haar partner. De studie heeft een vergunning in het kader van de wet op het bevolkingsonderzoek tot 1 april 2023. De door ZonMw en het ministerie van VWS mogelijk gemaakte TRIDENT-2 studie wordt uitgevoerd door het NIPT Consortium, waarin de acht Nederlandse UMC’s o.a. samenwerken met de beroepsorganisaties NVOG, KNOV, VKGN en VKGL, Erfocentrum, de VSOP, koepelorganisatie voor zeldzame en genetische aandoeningen, en de Regionale Centra voor Prenatale Screening. De counselors prenatale screening in Nederland spelen een belangrijke rol in deze studie en zijn verantwoordelijk voor het begeleiden van de zwangere bij het maken van een geïnformeerde keuze. De voorlichting door de counselors aan zwangeren is uniform. Het RIVM-Centrum voor Bevolkingsonderzoek is verantwoordelijk voor het faciliteren van de TRIDENT-2 studie binnen de bestaande infrastructuur van de Prenatale Screening, het verzorgen van deskundigheidsbevordering samen met de regionale centra en het ontwikkelen van alle materialen voor zwangeren. In Nederland zijn er drie NIPT-laboratoria: in het Amsterdam UMC locatie VUmc, Erasmus MC Rotterdam en Maastricht UMC+.